bron: D. Kuil, 'Mees Toxopeus', In: Vierhonderd jaar Groninger Veenkoloniën in biografische schetsen, Groningen, 1994.
Hier
een
geluidsfragment van Mees van een oude grammofoonplaat.

Mees Toxopeus,
schipper bij de Koninklijke Noord- en Zuid-Hollandsche Reddingmaatschappij, werd
op 22 okt. 1886 te Nieuwe Pekela geboren, als zoon uit het huwelijk van de
schipper Jannes Toxopeus (1859-1934) en Everdina Kielema (1863-1942). Zijn naam
kreeg reeds tijdens zijn leven een legendarische klank en werd synoniem met
enkele heroïsche hoofdstukken uit de geschiedenis van de K.N.Z.H.R.M. Als
schipper op de reddingboten C.A. den Tex (1917-1922), Hilda (1922-1926) en
Insulinde (1927-1950) bracht hij 285 mensen in veiligheid.
Mees Toxopeus trad op 13 sept. 1907 te Delfzijl in het huwelijk met Frouwke Scheltens (25-12-1885 Farmsum / 27-03-1947), dochter van de turfschipper Jannes Scheltens (1855-1910) en Sofie Louize Fritzemeijer (1860-1895). Uit hun huwelijk werden meerdere kinderen geboren. Mees Toxopeus woonde zijn laatste levensjaren te Schiermonnikoog en overleed aldaar op 28 febr. 1974, op 87-jarige leeftijd.
Mees Toxopeus
werd, min of meer per toeval, in Nieuwe Pekela geboren. Het had even goed een
van de andere veenkoloniën kunnen zijn. De vader van Mees voer in die tijd op de
zeetjalk De jonge Geertje en zwierf meestal rond op de eilanden voor de Duitse
kust of in de Oostzee. Hij achtte het dan ook raadzamer zijn vrouw voor de
bevalling achter te laten op de tjalk van haar ouders, die als turfschippers
door het Groninger en Drentse veen voeren. Zij hadden nu eenmaal makkelijker
hulp bij de hand dan hij, die meestal buitengaats zwierf.
De jonge Mees, die zowel van vaders- als moederszijde stamde uit een geslacht
van schippers, werd reeds op 13-jarige leeftijd schippersmaatje op een
beurtschip dat tussen Borkum en Emden voer. Een jaar later ging hij met zijn
grootvader mee het veen in. Maar Mees voelde er niets voor om zijn leven als
turfschipper te slijten of zelfs maar te beginnen. Hij keerde dan ook spoedig
terug naar zijn ouders in Delfzijl en monsterde korte tijd later aan op de
Gratitude, een zeetjalk die kustvaart bedreef in de Oostzee. In de daarop
volgende jaren verwisselde hij nog enkele malen van schip om tenslotte, in 1917,
amper 30 jaar oud, als jongste schipper in dienst te treden bij de Noord- en
Zuid-Hollandsche Reddingmaatschappij (N.Z.H.R.M.).
Na aanvankelijk
drieënhalve maand werkzaam te zijn geweest op de werf te Alkmaar, waar hij
aanwezig was bij het afbouwen van zijn toekomstige reddingboot, de C.A. den Tex,
vertrok Mees op 21 juli 1917 naar Rottumeroog, zijn eerste standplaats. Reeds op
8 jan. 1918 verrichtte hij met de C.A. den Tex op het Borkumerrif zijn eerste en
tevens een van zijn zwaarste reddingen. Slechts één man kon worden gered van het
Duitse patrouillevaartuig, de Bürgemeister Pauli, dat tezamen met twee andere
Duitse schepen in nood verkeerde. Meer dan 40 personen vonden helaas de dood in
de golven. Het Borkumerrif was Duits gebied en mocht, in verband met de
oorlogstoestand, niet benaderd worden. Hadden de Duitsers de hulp van de C.A.
den Tex eerder ingeroepen, dan zou deze ramp niet zoveel slachtoffers hebben
geëist. Eerst nadat Duitse reddingboten tevergeefs hadden getracht de gestrande
patrouillevaartuigen te benaderen werd de hulp van Rottumeroog ingeroepen. Mees
Toxopeus bracht de geredde bij de ingang van de Borkumerhaven veilig aan boord
van een Duitse torpedojager. 's Avonds werden de schipper en bemanning van de
reddingboot gehuldigd door de militaire commandant van Borkum.
Het gezin van Mees
Toxopeus woonde rond 1920 te Usquert. Mees zelf was in de kost bij zijn oom
Hendrik Toxopeus, die strandvoogd van Rottumeroog was. Op 9 okt. 1922 werd de
C.A. den Tex vervangen door de reddingboot Hilda, die in datzelfde jaar, onder
het toeziend oog van Mees Toxopeus was gebouwd op de werf van de gebroeders
Niestern te Delfzijl. Mees werd schipper op de Hilda en bleef dit tot 12 juni
1926, op welke datum hij de Hilda heeft overgedragen aan Jan Kuiper. Inmiddels
had Mees zich een huis op Rottumeroog gebouwd, alwaar hij tot de overdracht van
de Hilda bleef wonen. Opnieuw vertrok hij naar Delfzijl, dit maal om aanwezig te
zijn en aanwijzingen te geven bij de bouw van de Insulinde, een reddingboot,
waaraan zijn naam onverbrekelijk verbonden zou worden.
De Insulinde
was de eerste zelfrichtende motorreddingboot van de N.Z.H.R.M. Het idee ook
motorreddingboten zelfrichtend te maken werd door Mees Toxopeus geopperd, nadat
in 1921 het Nederlandse reddingswezen door twee zware rampen was getroffen. In
febr. 1926 werd op de werf van de fa. Gebroeders Niestern te Delfzijl met de
bouw van de Insulinde begonnen. Mees Toxopeus, bestemd om schipper te worden van
deze boot, waarnaar hij zo vurig had verlangd, was van de aanvang af bij de bouw
aanwezig en gaf herhaaldelijk waardevolle praktische wenken. Op 21 dec. 1926
werd de Insulinde te water gelaten, op 17 juni 1927 volgde de officiële
proefvaart en op 18 juni werd de Insulinde in Oostmahorn in dienst gesteld, van
waaruit zij in het vervolg zou opereren.
De grootste
onderscheiding die een bemanning van de Insulinde ooit ten deel viel, volgde op
de redding van 12 opvarenden van het Duitse stoomschip Bramow op 18 sept. 1935
tijdens een zware storm. Voor deze daad ontving Mees Toxopeus de Grote Gouden
medaille van de N.Z.H.R.M., een onderscheiding die slechts in uitzonderlijke
gevallen werd verstrekt.
Maar het was niet alleen deze redding die Mees Toxopeus op zijn naam schreef.
Vermeldenswaardig zijn ook de reddingen van de Nooit Volmaakt uit Zoutkamp
(1928, 2 geredden), de Malmö uit Zweden (1928, 6 geredden), de Hagfors, eveneens
uit Zweden (1928, 5 geredden), de Nobis uit Duitsland (1932, 14 geredden), de
Alexa uit Finland (1933, 15 geredden), de Kai uit Denemarken (1941, 18 geredden)
en de Satakunta uit Finland (1949, 10 geredden).
Een langdurige
tocht tijdens zwaar stormweer aan boord van een hevig slingerende en stampende
motorreddingboot is op den duur voor de bemanning uiterst vermoeiend. Het is te
begrijpen dat na vele uren hun psychisch weerstandsvermogen verzwakt. Alleen
zeer sterke figuren met groot verantwoordelijksgevoel zullen een hopeloos
lijkende poging om een in nood verkerend schip, waarvan de juiste positie
onbekend is, op te sporen, eerst opgeven als de kans op succes met aan zekerheid
grenzende waarschijnlijkheid is verkeken. Tot deze categorie hoorde Mees
Toxopeus. Hij zette door, ook al raakte de bemanning oververmoeid.
Op een van deze lange, vergeefse en dus voor de redders ontmoedigende tochten
waagde zijn stuurman, die al tien uur naast hem achter de stuurkap stond, de
opmerking te maken: "Ik denk dat we wel terug kunnen varen, dit schip zullen wij
toch niet kunnen vinden." Toxopeus beet zijn tanden op elkaar en zei afgebeten:
"Denken kunnen wij allemaal, maar ik moet het weten." Bij nacht en ontij trok
hij er op uit om angstige, verkleumde mensen van boord te halen van schepen die
in nood zaten. Alle rassen- of nationaliteitsvooroordelen zijn hem, als het om
de redding van een mens in nood ging, altijd vreemd geweest. Hij heeft nooit
gevraagd wie er in nood zat; hij heeft alleen maar gevraagd of ze in nood zaten
en waar dat dan was. En dan ging hij. In ontelbare tochten, dwars door het
woedend geweld van wind en golven heen, heeft hij 285 mensen veilig en behouden
weer aan wal gebracht.
Voor zijn moedig
gedrag ontving Mees Toxopeus tal van onderscheidingen en dankbetuigingen uit
alle oorden van de wereld. Zo werd hij door Hare Majesteit benoemd tot Ridder in
de Orde van Oranje Nassau en ontving hij de aan deze Orde verbonden eremedaille
in zilver, de gouden medaille van de Zweedse regering voor de redding van de
bemanning van de Malmö, het erekruis van de Orde van de Finse Roosvoor de
Satakunta, de reddingsmedaille van de Duitse keizer, de Grote Gouden medaille
van de N.Z.H.R.M., de gouden medaille van de E.H.B.O., een gouden horloge met
inscriptie van de Duitse regering voor de redding van de bemanning van de
Hagfors, het erekruis van het Duitse Rode Kruis, een gouden medaille van de
Duitse reddingmaatschappij enz. enz.
Als erkenning voor de vele malen op onverschrokken wijze betoonde moed en de
hulp aan de in nood verkerende medemens bewezen, werd Mees Toxopeus op 21 okt.
1950 door de gemeenteraad van Nieuwe Pekela benoemd als ereburger van deze
gemeente.

Op 31 okt. 1950, een jaar voor zijn pensioengerechtigde leeftijd en na 34 jaar
trouwe dienst, droeg Mees 'zijn' Insulinde over aan zijn jongere broer Klaas,
die al vanaf 1930 als stuurman bij hem had gevaren. Mees Toxopeus trad een jaar
eerder uit actieve dienst dan strikt genomen, met het oog op zijn leeftijd,
nodig was. Dat kwam niet omdat hij niet meer wilde, maar omdat de
reddingmaatschappij, die zijn ervaring erg hoog inschatte, hem in oktober 1950
overplaatste naar Muiden om daar aanwezig te zijn bij de bouw van de nieuwe
reddingboot van de Maatschappij, de Prins Hendrik.
Nog één jaar bleef hij in dienst van zijn Maatschappij, om vervolgens te gaan rentenieren op Schiermonnikoog, dicht bij de zee, die hij zo vaak had getrotseerd. Een moedig gedragen lijden maakte op 28 februari 1974 een einde aan zijn 89-jarig leven. Op 4 maart 1974 kwam de legendarische mensenredder voor de laatste maal en voor zijn laatste reis aan boord van een reddingboot. De te Lauwersoog gestationeerde Gebr. Luden bracht zijn stoffelijk overschot, in de met de oranje-blauwe vlag van de K.N.Z.H.R.M. gedekte kist, van Schiermonnikoog naar de vaste wal. Mees Toxopeus is begraven op de algemene begraafplaats in Delfzijl. Foto Hans van Seventer.
Van de website http://www.defilmderedding.nl kwam de volgende informatie:
Mees Toxopeus

De Ontwikkeling van de achttien jaar oudere Mees volgen we vanaf zijn positie als kapitein van de sleepboot van zijn oom Hendrik, beheerder (voogd) van het eiland Rottum. Mees wordt de stimulator achter het ontwerp van de "Insulinde". Door zijn oom wordt hij aan de heer Booij aanbevolen met de legendarische woorden: ….hij is woest , maar kalm". Op Rottum wordt hij schipper van de motorreddingboot De Hilda, gebouwd in Delfzijl door Jan Niestern. Het aantal ongelukken met reddingboten en de tienstallen redders die daarbij het leven laten stimuleren hem tot zijn brief aan de heer Booij.
De Insulinde
Rond 1920 komt Mees Toxopeus bij het reddingswezen en een aantal ongelukken met
reddingsboten versterken hem in zijn mening dat er behoefte is aan behoefte aan
sterkere schepen, die de extreme situaties in de branding aan kunnen. Ongelukken
rond die tijd:
"Kijk eens die boten waren breed gebouwd, heel breed en er stond te weinig kracht in. Ik heb toen geschreven dat de reddingboten te breed waren, dat ze veel smaller moesten zijn. De mensen die met die boten uitvoeren, schreef ik, moesten als het nodig was de boot van binnen uit kunnen besturen. De bodem moest heel zwaar worden gemaakt en ze moesten een ketelvormig model hebben; een soort onderzeeboot boven water."
H.T.Booij , de secretaris van de reddingsmaatschappij, reageert snel op de brief en bezoekt persoonlijk Rottum. Uit een gesprek 's-avonds bij de voogd , Hendrik Toxopeus thuis in 1922 is het volgende fragment:
Zo werd de eerste aanzet gegeven voor de ontwikkeling en de bouw van de Insulinde, in staat om in het vuilste weer in de Nederlandse kustbranding overeind te blijven.